Aandeelhouder kan in privé ondernemer zijn voor de inkomstenbelasting

7 mei 2021

Het beste van twee werelden?

In een recente uitspraak heeft de Rechtbank Noord-Nederland beslist dat opbrengsten van door een aandeelhouder via een BV uitgevoerde opdrachten bij de aandeelhouder moeten worden belast als winst uit onderneming. Daardoor geniet de aandeelhouder van de ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling. De Rechtbank concludeert dat voor de beoordeling van het ondernemerschap van de aandeelhouder in dit geval de juridische (rechts)vorm van de BV van ondergeschikt belang is. De Belastingdienst is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing. Maar de in deze zaak behandelde casus kan interessant worden als de hogere rechters de uitspraak van de Rechtbank bevestigen. Aan de ene kant geniet de aandeelhouder extern bescherming door naar buiten in de vorm van een BV te werken en tegelijkertijd profiteert hij van de IB-ondernemersfaciliteiten.

De zaak

De belastingplichtige in deze casus was rentmeester (vrije beroepsbeoefenaar). Hij bemiddelde bij handel, verhuur of huur van vastgoed en adviseerde op het gebied van grond- en pachtzaken. Hij voerde deze werkzaamheden uit vanuit zijn eenmanszaak. Eind 2012 verwierf de rentmeester een aanmerkelijk belang in een BV via welke BV een aantal soortgelijke rentmeesters onder een gezamenlijke naam naar buiten traden en bepaalde kosten deelden. Ieder van de participanten droeg zelf zorg voor de verwerving van de opdrachten en voerde deze ook zelf uit. De facturering verliep weliswaar via de BV, maar afgezien van een bijdrage in de gezamenlijke kosten van de BV werden de door ieder van de rentmeesters gegenereerde opbrengsten aan de respectievelijke participanten uitbetaald. De rechtbank moest beoordelen of de opbrengsten voor rekening en risico van de rentmeester zelf zijn verricht of voor rekening en risico van de BV.

Voor rekening en risico

Hoewel naar buiten toe (extern) de opdrachten op naam en voor rekening en risico van de BV waren uitgevoerd, oordeelde de rechtbank dat intern de rentmeesters volstrekt gescheiden wegen bewandelden. Immers, ieder is verantwoordelijk voor eigen opdrachten, voert ze zelf uit, er is geen sturing vanuit de BV, ieder is verantwoordelijk voor de eigen omzet en loopt zelf debiteurenrisico. Alleen specifieke kosten, zoals kantoororganisatie en (bij)scholing, blijven voor rekening van de BV. De rechtbank oordeelt dat de rentmeester de opdrachten naar fiscale maatstaven zelfstandig en voor rekening en risico van zichzelf heeft verricht. De civielrechtelijke werkelijkheid (in zekere zin treedt de BV op als kassier) weegt naar het oordeel van de rechtbank minder zwaar.

Rechtstreeks verbonden voor verbintenissen

Om in de IB als ondernemer te kwalificeren, moet een belastingplichtige rechtstreeks verbonden zijn voor verbintenissen van de onderneming. Volgens de rechtbank wordt er ook aan dit criterium voldaan. De rentmeester was weliswaar niet aansprakelijk voor schuldeisers van de BV, maar wel degelijk rechtstreeks voor dergelijke schulden (tegenover de BV) aansprakelijk voor zover die uit door hem aanvaarde en uitgevoerde opdrachten voortkomen.

Kostenmaatschap

In de praktijk wordt regelmatig gewerkt met het fenomeen ‘kostenmaatschap’. Via een samenwerkingsverband worden kosten van zelfstandige beroepsbeoefenaren gedeeld. Daarbij speelt nooit de discussie of er sprake is van ondernemerschap in de zin van de IB, omdat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid bezit en voor de IB als transparant wordt aangemerkt. De achterliggende participant voldoet dan aan de criteria voor IB-ondernemerschap: het drijven van een onderneming voor zijn rekening en risico en rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen aangaande de onderneming. In deze casus werden de kosten gedeeld via een BV, die – anders dan de maatschap – wel rechtspersoonlijkheid heeft en niet transparant is.

Het beste van twee werelden

De slotsom is dat de rentmeester voor de verrichte opdrachten kwalificeert als ondernemer voor de inkomstenbelasting. Daarmee kan – aldus de rechtbank – de belastingplichtige van twee walletjes eten. Aan de ene kant geniet hij extern bescherming door naar buiten in de vorm van een BV te werken en tegelijkertijd profiteert hij van de IB-ondernemersfaciliteiten. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een consequentie van de inhoudelijke toetsing aan het fiscaal-juridische begrip ondernemerschap. Tegen de uitspraak is door de fiscus beroep ingesteld. Het is interessant het verloop op de voet te volgen. Tot nu toe heeft de Hoge Raad zich nooit gebogen over de principiële vraag of de interne werkelijkheid dat de belastingplichtige zelfstandig opereert, zwaarder weegt dan de civielrechtelijke werkelijkheid dat de onderneming, naar buiten toe, in de vorm van een BV wordt gedreven.

De in deze zaak behandelde casus kan interessant zijn als de hogere rechters hierin meegaan. Aan de ene kant geniet de aandeelhouder extern bescherming door naar buiten in de vorm van een BV te werken en tegelijkertijd profiteert hij van de IB-ondernemersfaciliteiten.

Deel dit artikel


Wil jij op de hoogte worden gehouden met interessante updates waar je echt iets aan hebt?
Schrijf je dan hier in.




Alle Nieuws