Beleggingsleer in het huwelijksvermogensrecht

28 januari 2019

Dit heeft niets met beleggen te maken!

In een huwelijkse situatie kan sprake zijn van drie vermogens: privévermogen van partner A, privévermogen van partner B en gemeenschappelijk vermogen. Als privévermogen van een van de echtgenoten is gebruikt ter financiering van gemeenschappelijk vermogen, krijgt deze echtgenoot een vordering op het gemeenschappelijk vermogen. Bijvoorbeeld partner A krijgt een schenking en gebruikt deze schenking om een deel van de gezamenlijke hypotheek op de eigen woning af te lossen. De vraag is nu als de woning ooit verkocht wordt, op welke vergoeding heeft partner A dan recht?

Onderscheid periode tot 1 januari 2012 en na 1 januari 2012 

Een vergoedingsrecht ontstaat niet alleen als echtgenoten gehuwd zijn in gemeenschap van goederen. Ook als echtgenoten gehuwd zijn op huwelijkse voorwaarden, kan ‘investeren in het andere rijtje’ voorkomen. Ook dan ontstaat er een vergoedingsrecht. Voor geregistreerde partners geldt overigens dezelfde regeling. Voorgaande is alleen anders als partijen schriftelijk andere afspraken hebben gemaakt. Vanaf 1 januari 2012 is in de wet bepaald dat voor onderlinge vergoedingsrechten de zogenaamde beleggingsleer geldt. Vergoedingsrechten die zijn ontstaan na 1 januari 2012 geven niet alleen recht op teruggave van het geïnvesteerde bedrag, maar ook op de waardeontwikkeling van het goed. Tot 1 januari 2012 was alleen recht op teruggave van het geïnvesteerde bedrag. Het verschil in uitkomst blijkt uit het volgende voorbeeld.

Voorbeeld

Partner A en B hebben een woning gekocht van € 300.000,-. Partner A heeft een erfenis gehad (met privéclausule) en heeft deze erfenis gebruikt voor de aankoop van een gezamenlijke woning. De rest is gefinancierd met een aflossingsvrije hypotheek. De woning is op dit moment € 400.000 waard.

Berekening vergoedingsrechten vóór 2012

Als de woning vóór 2012 is gekocht ziet de berekening van de vergoedingsrechten er als volgt uit: Partner A heeft recht op de nominale waarde van zijn investering in het huis van € 100.000,-. Aan overwaarde blijft er dan over: € 400.000,- minus € 100.000,- minus de hypotheek € 200.000,- = € 100.000,-. Dat wordt verdeeld tussen beide partners. In totaal ontvangt partner A € 150.000 en partner B € 50.000,-. De investering van partner A in de woning stijgt dus niet mee met de waarde van de woning.

Berekening vergoedingsrechten na 2012

In de nieuwe wet is geregeld dat de investering van partner A wél meestijgt met de waarde van de woning. De berekening ziet er dan als volgt uit:
De investering van partner A is gelijk aan 1/3e deel van de aanschafwaarde van de woning. Zijn recht op de huidige waarde van de woning bedraagt volgens de nieuwe regel dan 1/3e deel van de huidige waarde ofwel 1/3 x € 400.000,- = € 133.334. Aan overwaarde blijft er dan over: € 400.000,- minus € 133.334,- minus de hypotheek € 200.000,- = € 66.666,-. Deze overwaarde wordt verdeeld tussen beide partners, ieder € 33.333,-. In totaal ontvangt partner A dus € 166.667 en partner B € 33.333,-. Partner A ontvangt € 16.667,- onder het nieuwe recht. De investering van partner A in de woning stijgt dus wel mee met de waarde van de woning.

Let op: Naast meedelen in waardestijgingen wordt ook meegedeeld in waardedalingen (mits het vermogen is aangewend met toestemming van de echtgenoot).

Tip: Als je vóór 2012 eigen geld hebt geïnvesteerd in een woning en deze is ondertussen in de waarde gestegen of gedaald, is het raadzaam om te kijken wat hierover is afgesproken, bijvoorbeeld in huwelijkse voorwaarden.

Ook andere investeringen beoordelen

Investeringen worden ruim uitgelegd in de wet. De beleggingsleer geldt bijvoorbeeld ook in de volgende situaties:

  • Privévermogen van A (bijvoorbeeld ondernemingsvermogen) is gebruikt ter financiering van privévermogen van B (bijvoorbeeld de aanschaf van een vakantiewoning);
  • Gezamenlijk vermogen (bijvoorbeeld spaargeld) is gebruikt voor bijvoorbeeld de opstart van een BV voor een van de partners;
  • Privévermogen van partner B (bijvoorbeeld een schenking) is gebruikt voor aflossing van de hypotheek op de gezamenlijke woning.

Een voorbeeld van deze laatste investering ziet er als volgt uit:

A en B zijn in 2010 in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben in dat jaar een woning gekocht voor €300.000, gefinancierd met een aflossingsvrije hypotheek van €300.000. Eind 2017 heeft A een eigenwoningschenking van €100.000 ontvangen met privéclausule. Begin 2018 heeft A een deel van de hypotheek afgelost. Deze ‘investering’ van A vindt dus plaats ná 1 januari 2012 en dus is de beleggingsleer van toepassing. Stel dat A en B in 2019 gaan scheiden en de woning dan €500.000 waard is. A heeft met de schenking een derde van de historische kostprijs van de woning betaald door middel van gedeeltelijke aflossing van de schuld op de woning. A heeft daarom recht op een derde van de opbrengst van de woning: €166.666. De overwaarde bedraagt €500.000 – €200.000 = €300.000. Hiervan gaat dus €166.666 naar de vrouw. Er resteert €133.334. Dit wordt bij helfte verdeeld. In totaal krijgt de vrouw €233.334 en de man €66.667.

Zou A de schenking niet geïnvesteerd hebben in de woning dan had A naast de € 100.000 aan schenking nog 50% van de overwaarde van € 200.000 ontvangen. In totaal zou A dan €200.000 aan vermogen hebben terwijl A nu, door de schenking te gebruiken voor gedeeltelijke aflossing van de hypotheek, een vermogen heeft van € 233.334.

Onredelijke uitwerking

De onredelijke uitwerking van het systeem ontstaat omdat er gekeken wordt naar de oorspronkelijke aanschafwaarde van de investering en niet naar de waarde op het moment van investeren. Vanwege de onredelijke uitwerking van het wettelijke systeem adviseren wij om tussen partners een heldere regeling op te stellen voor gevallen waarin echtgenoten elkaars geld gebruiken. Partners mogen hierbij afwijken van de door de wet voorgeschreven beleggingsleer. Zij kunnen de omvang van de vergoeding zelf bepalen en zelfs op nihil stellen. Wel moeten de partners daarbij oppassen dat er geen sprake is van schenking. Ook een juiste administratie van de verschillende vermogens is zeer van belang en kan ongewenst afrekenen bij einde van het huwelijk voorkomen.

Tot slot

Van belang is op te merken dat de beleggingsleer niet geldt als het gaat om de financiering van verbruiksgoederen, bijvoorbeeld een auto. Een auto daalt per definitie in waarde. Toepassing van de beleggingsleer zou in dat geval betekenen dat er op het moment van afrekening (bij echtscheiding) slechts een fractie van het geïnvesteerde bedrag hoeft te worden vergoed. Daarom bepaalt de wet expliciet dat voor verbruiksgoederen de nominaliteitsleer


Wil jij op de hoogte worden gehouden met interessante updates waar je echt iets aan hebt?
Schrijf je dan hier in.




Alle Nieuws