Oudedagsverplichting (ODV) en vererving

22 januari 2018

Belastingbesparing bij overlijden mits (goed) geregeld

In 2017 heeft menig directeurgrootaandeelhouder (DGA) zijn pensioen in de B.V. omgezet in een fiscale oudedagsverplichting (ODV). Bij overlijden van de DGA gaat de uitkering over op zijn erfgenamen dat is wettelijk bepaald. De DGA kan zelf kiezen wie zijn erfgenamen zijn en welk deel van zijn nalatenschap toekomt aan ieder van de erfgenamen. Dat biedt mogelijkheden voor besparing van belasting bij overlijden van de DGA. We zetten eerst kort de belangrijkste kenmerken van de ODV voor u op een rijtje en sluiten af met enkele tips voor besparing van belasting bij overlijden van de DGA.

Oudedagsverplichting algemeen

Uitkeringen uit een ODV moeten toekomen aan de DGA. De B.V. moet op de ODV-uitkering loonbelasting inhouden.

Een ODV mag op haar vroegst ingaan 5 jaar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van de DGA en moet uiterlijk ingaan twee maanden na het bereiken van de AOW-leeftijd.

De looptijd van de ODV bedraagt vanaf het bereiken van de AOW-leeftijd 20 jaar. Bij eerdere ingang dan de AOW-leeftijd van de DGA wordt deze looptijd verlengd met het aantal jaren dat de uitkering ingaat vóór de AOW-leeftijd, met een maximum van 5 jaar.

Een pensioen in eigen beheer kan nog tot en met 31-12-2019 worden omgezet in een ODV. Een ODV kan nog tot en met 31-12-2019 met korting worden afgekocht.

De ODV wordt tijdens de opbouw- en uitkeringsfase opgerent tegen de ‘marktrente’. Dit is het gemiddelde u-rendement van het voorafgaande jaar, welk percentage jaarlijks bij ministeriële regeling wordt bekendgemaakt. Het percentage voor 2018 bedraagt 0,06%. De oprenting van de oudedagsverplichting kan negatief worden.

Uitkering van de ODV kan naar keuze per maand, per kwartaal of per jaar plaatsvinden. Het aantal maand- resp. kwartaaltermijnen dient te worden afgeleid van het aantal (afgeronde) jaartermijnen; vermenigvuldigen met 12 resp. 4.

Een ODV (eigen beheer) kan in de opbouwfase fiscaal geruisloos worden omgezet in een (bancaire) lijfrente. Er kan ook worden gekozen voor een lijfrente met beleggingen. Ook is het mogelijk om de ODV na de ingang van de uitkeringen nog aan te wenden voor het verkrijgen van een lijfrente, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht. Let op! Gezien de wettelijke lijfrente-eisen is onderbrenging bij een professionele partij niet meer mogelijk als de DGA ouder is dan de AOW-leeftijd plus 5 jaar.

Een ODV mag worden overgedragen van het ene naar het andere eigenbeheerlichaam, Het andere eigenbeheerlichaam zou ook een B.V. van de kinderen kunnen zijn. Vanuit een oogpunt van tax planning zou dit interessant kunnen zijn. De B.V. van de kinderen krijgt dan ter belegging een bedrag tot haar beschikking in combinatie met een verplichting (vergelijk lening) waarover zij een zeer lage rente verschuldigd is (in 2018 0,06%). Als de kinderen op het desbetreffende vermogen een hoger rendement behalen, hetgeen niet al te moeilijk zou moeten zijn, treedt er bij hen vermogensvorming op. Te denken valt aan het verstrekken van eigenwoningleningen aan familieleden.

Als er bij de B.V. onvoldoende dekking is om de volledige ODV-verplichting uit te keren, kan worden overwogen de aanwezige middelen af te storten bij een verzekeraar, bank of beleggingsonderneming ter verkrijging van een lijfrente, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht. De B.V. kan vervolgens worden geliquideerd. De DGA kan het tekort op de ODV zonder sanctie prijsgeven. Hiervoor gelden wel bepaalde voorwaarden. In een dergelijk geval is het zaak dat zoveel mogelijk kosten vooraf gefactureerd worden. Deze kosten kunnen dan ten laste komen van het vermogen waarvoor een (fiscaal beclaimde) lijfrente wordt verworven.

Overlijden DGA

De ODV-uitkeringen moeten gaan naar de DGA. Als de DGA overlijdt en de oudedagsverplichting zich in opbouwfase bevindt (uitkeringen zijn nog niet ingegaan), moeten de uitkeringen binnen 12 maanden ingaan en toekomen aan iemand die tot de kring van zijn erfgenamen behoort. De looptijd bedraagt dan 20 jaar is.

Als de ODV-uitkeringen reeds zijn ingegaan gaan de uitkeringen voor het aantal nog resterende jaren aan looptijd over op diens erfgenamen. Bijvoorbeeld, overlijdt de DGA 5 jaar na ingang van de ODV-uitkeringen, dan ontvangen diens erfgenamen nog 15 jaar een ODV-uitkering. Overlijdt ook de erfgenaam binnen die 15 jaar dan gaan de ODV-uitkeringen voor de resterende looptijd weer over naar diens erfgenamen totdat de volledige looptijd van 20 jaar vanaf de eerste ingangsdatum van de ODV-uitkering is voltooid.

Een ODV kan (ook na overlijden) worden omgezet in een gewoon lijfrenteproduct of een bancaire lijfrente mits voldaan wordt aan de eisen voor een lijfrente.

Als de ODV-overeenkomst niets vermeldt over de overgang van de termijnen of het kapitaal na het overlijden, anders dan dat de uitkeringen overgaan op de erfgenamen, is sprake van reguliere vererving. De verkrijging van (rechten op) uitkeringen uit een ODV is overigens vrijgesteld van erfbelasting. Bij de wettelijke verdeling kunnen de uitkeringen naar de langstlevende partner gaan. Ze hoeven dan dus niet deels naar de kinderen te gaan. Als de partner de uitkeringen krijgt, treedt korting op de partnervrijstelling op evenals bij de verkrijging van pensioenrechten. Als iemand anders de uitkeringen krijgt, is geen sprake van korting van de vrijstelling.

De ODV maakt bij gemeenschap van goederen deel uit van de gemeenschap. De huwelijksgemeenschap wordt ontbonden op het moment van overlijden. De onverdeelde helft van de ODV-aanspraak maakt deel uit van de nalatenschap. De aard van de ODV-aanspraak brengt echter met zich mee dat deze moet worden toegerekend aan de DGA. Daarom moet de waarde van de helft van de ODV-aanspraak worden verrekend. De ODV komt zo voor 100% in de nalatenschap terecht. In andere situaties dan de wettelijke verdeling moet bij aanwezigheid van meerdere erfgenamen de ODV ook aan alle erfgenamen (naar evenredigheid) toekomen.

Uitsluitend via legaat is het mogelijk de ODV te laten toekomen aan één of slechts enkele specifiek benoemde natuurlijke personen. De legataris dient dan wel tevens erfgenaam te zijn. Als tegen de erfgenamen-eis worden gezondigd, is over de waarde van ODV loonheffing en revisierente verschuldigd en is de vrijstelling van erfbelasting niet van toepassing.

Tip: als men de ODV-uitkeringen aan één erfgenaam in plaats van aan alle erfgenamen wil doen toekomen, zit er niets anders op dan het testament te wijzigen en daarin de uitkeringen aan die ene erfgenaam te legateren. Als men geen zin heeft om het testament te wijzigen, kan worden overwogen het ODV-kapitaal af te storten in banksparen. Daarbij is het mogelijk om de uitkeringen te doen toekomen aan één erfgenaam en zelfs aan een natuurlijk persoon die helemaal geen erfgenaam of legataris is.

Tip: de DGA kan in zijn/haar testament bepalen dat zijn/haar kleinkinderen voor een heel klein deel tot erfgenaam worden benoemd, bijvoorbeeld een duizendste deel, om vervolgens de ODV-uitkeringen aan die kleinkinderen te legateren. Over de verkrijging betalen de kleinkinderen geen erfbelasting en waarschijnlijk ook geen of maar een klein bedrag aan inkomstenbelasting.


Alle Nieuwsbrieven