Pas op met toename rekening-courantschuld bij de BV

18 mei 2020

Belastingheffing ligt op de loer.

Vrijwel iedere directeur groot aandeelhouder (=dga) leent in meer of mindere mate bij de eigen BV. De ene keer in de vorm van een lening, bijvoorbeeld voor de financiering van de eigen woning en de andere keer in rekening-courantvorm omdat het salaris niet voldoende is om alle uitgaven te dekken. Voor lenen van de eigen BV bestaan strenge regels. Steeds weer komen we in de rechtspraak gevallen tegen waar tegen beter weten in de BV als pinautomaat wordt gebruikt en dat wordt door de Belastingdienst en rechters gewoon keihard afgestraft.

Lenen verboden?

Met lenen van de BV niks mis mee. De BV mag net als iedere andere rechtspersoon geld uitlenen. Maar er zijn wel regels en grenzen. Sinds enkele jaren heeft de Belastingdienst veel belangstelling voor dergelijke schulden. Er wordt ook steeds vaker over rekening-courantschulden geprocedeerd en het is de verwachting dat dit de komende jaren nog verder zal toenemen. Ook is er wetgeving in de maak die excessief lenen van de BV moet inperken.

Burgerlijk Wetboek

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap, dus ook wanneer geld wordt geleend van de eigen BV Dat staat in het Burgerlijk Wetboek. Zakelijk handelen betekent dat de dga en de BV met elkaar handelen op dezelfde wijze en voorwaarden als ook met een derde zou zijn gehandeld. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt in artikel 2:247 dat de dga voor vrijwel elke transactie met de eigen BV een schriftelijke overeenkomst moet opstellen.

Belastingdienst

De Belastingdienst maakt onderscheid tussen rekening-courant en een lening. Via een rekening-courant worden kleine bedragen over en weer geboekt. Bedragen die op deze rekening worden geboekt, worden doorlopend met elkaar verrekend. Vaak gaat het om zakelijke kosten die door de dga vanuit privé voor de BV worden voorgeschoten of andersom een bedrag dat de BV aan de dga nog schuldig is op een later moment betaalt, bijvoorbeeld een bonus. Wanneer voor een langere periode geld wordt geleend van de BV ziet de Belastingdienst dit als een lening.

Advies

Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient in deze overeenkomst aan de volgende punten aandacht te worden besteed:

  • de wijze van toekomstige aflossing is vastgelegd;
  • de inkomens- en vermogenspositie van de dga zijn op orde zijn zodat de rente en aflossingsverplichting kan worden nagekomen;
  • de gehanteerde rente moet marktconform zijn;
  • er zijn voldoende zekerheden gesteld;
  • zou de BV de lening ook onder dezelfde voorwaarden hebben verstrekt aan een derde die in vergelijkbare omstandigheden verkeert?

Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, of als de afspraken in een lening overeenkomst niet worden nagekomen, kan de Belastingdienst de lening aanmerken als onzakelijk. De lening kan bijvoorbeeld als een uitdeling worden bestempeld. Bij een winstdeling worden de opnamen gezien als netto privé-uitgaven.

Uitspraak Rechtbank

Ter illustratie van hoe het mis kan gaan treft u hierna een recente uitspraak aan van de rechtbank Den Haag.

De casus
De heer X en zijn echtgenote houden samen alle aandelen in BV A. Ze zijn ook samen bestuurder van deze BV die zich bezig houdt met het beheren van (pensioen)vermogen. De afgelopen jaren heeft het stel geleend van de BV voor de verbouwing van de eigen woning. Eind 2014 bedroeg de eigenwoningschuld € 658.248. De lening is middels een overeenkomst vastgelegd en als zekerheid is een hypotheekrecht op de eigen woning gevestigd van € 500.000.
Vanaf 2010 is de rekening-courantschuld van het stel bij de eigen BV fors opgelopen tot € 637.292 eind 2014. De toename in 2014 bedroeg € 113.979 en eind 2014 bedroeg de totale vordering van de BV op het stel dus € 1.295.540.

De Belastingdienst heeft onderzoek verricht naar de aangiftes inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting 2014 van het echtpaar. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft de Belastingdienst het standpunt ingenomen dat de toename van de rekening-courantschuld in 2014 met € 113.979 een netto-dividenduitkering aan de aandeelhouders is. De inspecteur is namelijk van mening dat de dga deze schuld aan de BV niet meer terug kan betalen en dat de dga en de BV dat ook hadden kunnen weten.

De door de inspecteur gestelde bruto-dividenduitkering bedraagt € 134.292. De inspecteur legt voor 2014 een naheffingsaanslag dividendbelasting van 15%, € 20.113, op aan de BV. Voor de inkomstenbelasting 2014 wordt een navorderingsaanslag met een verzamelinkomen van € 134.093 opgelegd. Hierbij kan de dividendbelasting als voorheffing in mindering worden gebracht.

Verweer dga
De dga was het uiteraard niet eens met de visie van de inspecteur dat sprak is van een uitdeling en heeft hiertegen de volgende verweren gevoerd:

  1. Hij stelt dat er geen sprake is van een definitieve onttrekking van het vermogen van de BV, omdat hij het geleende direct kan terugbetalen of herfinancieren bij een bank.
  2. Er is niet voldaan aan het vereiste van het dubbele bewustzijn, dat wil zeggen dat zowel de dga en de BV zich bewust waren van die vermeende onttrekking.
  3. Er zijn geen uitkeerbare winstreserves in de BV aanwezig, waardoor geen dividend kan worden uitgekeerd.
  4. Voor een bedrag van € 45.000 is in 2014 in privé een kavel grond gekocht. Deze kavel kan worden overgedragen aan de BV.

Uitspraak rechtbank
Rechtbank Den Haag verwerpt de verweren van de dga en stelt dat de inspecteur terecht een uitdeling in aanmerking heeft genomen.

Definitieve onttrekking
De rechtbank begint met een hoofdregel: Indien een vennootschap aan haar aandeelhouder een lening verstrekt waarvan aannemelijk is dat deze niet kan of zal worden afgelost, moet deze lening worden aangemerkt als een uitdeling van winst. Het bedrag van de lening heeft dan immers het vermogen van de vennootschap definitief verlaten.

De rechtbank stelt dat door de inspecteur aannemelijk is gemaakt dat de toename van de rekening-courantvordering niet volledig kan of zal worden afgelost. Volgens de rechtbank beschikken beide aandeelhouders niet over voldoende vermogen en inkomsten om uit andere middelen dan het aandelenbezit in de BV de aflossing van dit gedeelte van de lening te voldoen.

De inspecteur heeft aangetoond dat het privévermogen van de dga en zijn vrouw eind 2014 € 740.377 negatief was. Hierbij wordt de waarde van de aandelen van de BV volgens de rechtbank terecht niet meegenomen. Het gaat volgens de rechtbank namelijk om de vraag of de dga in 2014 door middel van de rekening-courantrekening geld uit BV heeft opgenomen waarvan aannemelijk is dat deze niet kan en zal worden afgelost anders dan door over de winstreserves van BV te beschikken. Dit wordt niet anders als het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering of kan worden terugbetaald uit de opbrengst van de verkoop van aandelen.

Ook het inkomen van het stel wordt ontoereikend geacht voor terugbetaling van de lening. Het gezamenlijk bruto pensioeninkomen was in 2014 al onvoldoende om de rentelast te voldoen.

Dubbele bewustzijn
Wat betreft de bewustheid wijst de inspecteur erop dat (het bestuur van) de BV voldoende op de hoogte was van de inkomens- en vermogenssituatie en de bestaande verplichtingen van het echtpaar. De rechtbank stelt dat beide partijen zich ervan bewust moeten zijn geweest dat 50% van het in 2014 geleende niet kon en zou worden afgelost en dat eiser daardoor werd bevoordeeld.

De rechtbank concludeert daarnaast dat er geen zekerheden zijn gesteld en dat er geen aflossingsverplichting is overeengekomen. Het is dan ook goed mogelijk dat de rekening-courantschuld niet middels een overeenkomst is vastgelegd.

Uitkeerbare winstreserves
De rechtbank vindt dat de inspecteur voldoende bewezen heeft dat er wel voldoende vrije winstreserves in de BV aanwezig zijn voor de uitkering van dividend. Deze bedroegen per ultimo 2014 namelijk € 1.215.416. De dga heeft aangegeven dat de commerciële waarde van de aanwezige pensioenverplichting aanzienlijk hoger was dan de fiscale verplichting, waardoor de vrij uitkeerbare winstreserves een stuk lager waren. Dan nog was deze volgens de rechtbank hoog genoeg voor de gestelde dividenduitkering.

Grond
De rechtbank gaat wel mee in het verweer van de dga dat de grond ultimo 2014 nog in zijn bezit was zodat dit deel van de schuld a € 45.000 gedekt was en dat bovendien de latere verkoopopbrengst daadwerkelijk is aangewend voor aflossing van de rekening courant. Voor dit bedrag acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het in 2014 definitief het vermogen van de BV heeft verlaten. De rechtbank vermindert de opgelegde aanslag dienovereenkomstig.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het door de inspecteur gestelde inkomen uit aanmerkelijk belang dus verminderd tot € 40.575. ((€ 113.979 – € 45.000) * 50% * (100/85)).

Samenvatting

De uitspraak van Rechtbank Den Haag laat weer zien hoe belangrijk het is om de verhoudingen met de BV zakelijk te houden en goed vast te leggen. Als een geldlening niet op zakelijke voorwaarden is gebaseerd, kan de Belastingdienst met succes stellen dat de gelden in feite definitief uit de BV zijn gehaald. Het bedrag van de schuld wordt dan gezien als een dividenduitkering waarover inkomstenbelasting moet worden betaald.

Een lening rekening-courant is onder meer niet zakelijk als er geen aflossingsschema is afgesproken, of als de dga in feite niet in staat is om de lening af te lossen. Een lage rente en het ontbreken van zekerheidstellingen aan de BV zijn ook indicaties dat de lening niet zakelijk is.

Deel dit artikel


Wil jij op de hoogte worden gehouden met interessante updates waar je echt iets aan hebt?
Schrijf je dan hier in.




Alle Nieuws