Wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap ingediend

22 juni 2020

Ingangsdatum opgeschoven naar 2023

Het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap is vorige week ingediend bij de Tweede Kamer. De wetgever beoogt hiermee het aangaan van schulden boven de € 500.000 bij de eigen vennootschap te ontmoedigen.

Het veelbesproken wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap gaat vanaf 2023 een grote rol spelen bij het aangaan van leningen bij de eigen vennootschapVanaf 2023 wordt namelijk de mogelijkheid om zonder directe belastingheffing geld te lenen bij de  eigen onderneming ingeperkt. Aanmerkelijk belanghouders (met een bezit van ten minste 5% van de aandelen) mogen vanaf dan nog tot € 500.000 euro belastingvrij lenen. Leent de aanmerkelijkbelanghouder (AB-houder) meer dan € 500.000 van de vennootschap dan moet over het meerdere over dat jaar inkomstenbelasting worden afgerekend met de fiscus. Het meerdere wordt aangemerkt als een fictief regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. In 2023 bedraagt het belastingtarief over het fictief voordeel 26,9%.

Uitzondering voor eigenwoningschuld

De maatregel geldt voor alle schulden van de aanmerkelijkbelanghouder. Er is één uitzondering, namelijk leningen die zijn aangegaan voor de financiering van de eigen woning blijven buiten de regeling. Deze uitzondering geldt echter alleen als een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap als zekerheid voor de lening. Voor eigenwoningschulden die zijn aangegaan vóór 1 januari 2023 geldt de uitzondering ook zonder dat er een hypotheek is gevestigd.

Slechts een vervroegde heffing, geen dubbele heffing

Dit wetsvoorstel is in 2019 via internet geconsulteerd. Met name op de dubbele heffing die in het wetsvoorstel was opgenomen was (terecht) veel weerstand uit de praktijk. Het kabinet heeft besloten het wetsvoorstel naar aanleiding van deze consultatie aan te passen zodat niet langer sprake kan zijn van dubbele belastingheffing. Hierdoor leidt het wetsvoorstel niet tot een extra heffing maar een vervroegde heffing. Het maximumleenbedrag van € 500.000 wordt verhoogd met het bedrag waarover belasting is betaald en wordt verlaagd met het bedrag waarmee de schuld in een later jaar wordt afgelost. Het bedrag van de aflossing wordt dan aangemerkt als een negatief fictief regulier voordeel dat verrekend kan worden met positieve voordelen uit het aanmerkelijk belang.

Voorbeeld verhogen maximumbedrag

Belastingplichtige X heeft eind 2023 voor € 700.000 aan schulden aan vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Over het bovenmatig deel (positief fictief regulier voordeel) van € 200.000 (€ 700.000 -/- € 500.000) betaalt X in 2023 dan 26,9% inkomstenbelasting in box 2. In belastingjaar 2024 kan X een maximumbedrag van € 700.000 (€ 500.000 + € 200.000) lenen zonder dat dit leidt tot belastingheffing.

Voorbeeld verlagen maximumbedrag

In 2024 besluit X om in privé een lening van € 300.000 af te sluiten bij de bank om zijn schuld aan de vennootschap gedeeltelijk af te lossen. De schuld van X eind 2024 aan de vennootschap bedraagt na de aflossing € 400.000. Het bovenmatige deel van zijn schulden eind 2024 bedraagt in dat geval negatief € 200.000 (let op: geen negatief € 300.000 (€ 400.000 -/- € 700.000) omdat ten hoogste een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking mag worden genomen tot het bedrag dat eerder als positief fictief regulier voordeel in aanmerking is genomen, wat neerkomt op negatief € 200.000). Het negatief fictief reguliere voordeel uit aanmerkelijk belang kan X verrekenen met het positief inkomen uit aanmerkelijk belang in belastingjaar 2023 (carry-back). Dit zal er toe leiden dat X een teruggave aan inkomstenbelasting ontvangt van 26,9% van € 200.000 over 2023.

 Het maximumleenbedrag aan schulden daalt door de aflossing met hetzelfde bedrag tot een bedrag van € 500.000. Omdat de schuld van X aan de vennootschap eind 2024 € 400.000 bedraagt mag X na 2024 weer € 100.000 extra lenen zonder dat daarover belasting is verschuldigd.

Schulden onder € 500.000

In de toelichting bij het wetsvoorstel wordt benadrukt dat de bestaande rechtspraak over geldleningen onverkort van toepassing blijft. Dit houdt kort gezegd in dat wanneer vaststaat of vast komt te staan dat de schuld niet kan of zal worden afgelost, een verkapte winstuitdeling wordt aangenomen en aanmerkelijkbelangheffing zal moeten worden voldaan. Dit geldt zowel voor schulden beneden als boven € 500.000. Het is evenwel niet de bedoeling dat twee keer wordt geheven.

Ingangsdatum

De regeling zal naar verwachting per 1 januari 2023 in werking treden. Voor dit tijdstip is gekozen om aanmerkelijkbelanghouders voldoende tijd te geven hun schuldposities af te bouwen. De eerste keer dat getoetst gaat worden of de leningen meer bedragen dan € 500.000 is 31 december 2023.

Goed om te weten

Het wetsvoorstel kent een aantal bepalingen die moeten voorkomen dat via een omweg toch meer geleend kan worden zonder belastingheffing dan € 500.000. Zo tellen de schulden van de partner van de AB-houder aan de vennootschap mee bij het bepalen of de grens van € 500.000 wordt overschreden. Ook de schulden van de (klein)kinderen aan de vennootschap van de AB-houder tellen mee, maar dan voor zover de schuld van het (klein)kind meer bedraagt dan € 500.000. Als het (klein)kind zelf AB-houder is, dan geldt de grens van € 500.000 voor het (klein)kind zelf als maximumleenbedrag.

Heeft de AB-houder in meerdere vennootschappen (direct of indirect) een aanmerkelijk belang dan worden alle schulden bij elkaar opgeteld. Komt het totaal boven de grens van € 500.000 dan moet over het meerdere worden afgerekend. De regeling heeft een brede werking. Niet alleen directe schulden maar ook indirecte schulden tellen mee. Staat de vennootschap bijvoorbeeld garant voor een AB-houder zodat de AB-houder een lening kan afsluiten bij een bank, dan telt die garantstelling mee als schuld van de AB-houder aan de vennootschap.

De schuld blijft civielrechtelijk een schuld, deze ‘verdwijnt’ niet door de belastingheffing. De werking van de maatregel blijft beperkt tot de aanmerkelijkbelangregeling in box 2. Dit betekent dat de maatregel niet doorwerkt naar box 1 en box 3 van de inkomstenbelasting, noch naar de dividendbelasting en de vennootschapsbelasting. Hiermee wordt beoogd de uitvoeringslasten zo laag mogelijk te houden. De maatregel heeft dus geen civielrechtelijke betekenis. De lening blijft civielrechtelijk bestaan, zodat er nog steeds rente in aanmerking moet worden genomen en er voor de schuld op enig moment aflossing is vereist. Voor de vennootschap (schuldeiser) betekent dit dat de waardering van de vordering op de aandeelhouder (schuldenaar) op de fiscale balans als gevolg van deze maatregel geen wijziging ondergaat en dat de schuldeiser periodiek ook over het voor de AB-houder bovenmatige deel van de lening rente in aanmerking neemt en moet verantwoorden in zijn resultatenrekening. Als de schuld in box 3 valt, verlaagt de schuld de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen.

Achtergrond voor invoering van de regeling

Een aandeelhouder van een vennootschap kan verschillende hoedanigheden hebben in relatie tot de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft (bezit van ten minste 5% van de aandelen). Zo kan een aanmerkelijkbelanghouder zijn:

  • Het loon dat hij geniet is in box 1 (progressief) belast als loon uit dienstbetrekking. Als de aanmerkelijkbelanghouder vanwege de verschillende hoedanigheden zichzelf te weinig loon uitkeert, wordt voor de heffing van loonbelasting een fictief loon in aanmerking genomen door toepassing van de zogenoemde gebruikelijkloonregeling.
  • De aanmerkelijkbelanghouder kan ook een winstuitdeling van de vennootschap ontvangen (dividend). Een dergelijke winstuitdeling is in box 2 belast als inkomen uit aanmerkelijk belang (regulier voordeel). In de praktijk wordt een groot deel van de winst van de vennootschap in de vennootschap opgepot en niet jaarlijks uitgekeerd aan de aanmerkelijkbelanghouder.
  • Het rendement dat een AB-houder behaalt omdat hij goederen of geld aan de vennootschap ter beschikking stelt geniet hij in box 1 (progressief belast) als resultaat uit een werkzaamheid.
  • Door bedragen van de vennootschap te lenen in plaats van meer loon te genieten of dividend te laten uitkeren, vindt op dat moment geen belastingheffing plaats over het door de vennootschap uitgeleende bedrag, terwijl de aanmerkelijkbelanghouder in privé al wel over uit zijn vennootschap afkomstige financiële middelen beschikt.

De thans voorstelde maatregel werpt een dam op tegen bovenmatig geld lenen van de AB-houder van de vennootschap om zodoende belastingheffing uit te stellen. De grote mate waarin AB-houders beschikken over financiële middelen die afkomstig zijn van de vennootschap is in de ogen van dit kabinet onwenselijk. Daarnaast geldt dat belastingplichtigen die winst uit onderneming genieten (IB-ondernemers) geen mogelijkheid hebben om belastingheffing uit te stellen door geld te lenen van hun onderneming. Hierdoor kan de AB-houder een voordeel genieten dat de IB-ondernemer niet heeft. Het kabinet vindt het van belang dat de keuze voor een ondernemingsvorm zo min mogelijk wordt bepaald vanuit fiscale motieven. Deze maatregel draagt daaraan bij. Op de toename van het vermogen van de eigen vennootschap rust een box 2-belastingclaim. Ingeval de vennootschap een lening verstrekt aan haar aandeelhouder, ontstaat een vordering die onderdeel is van het vermogen van de vennootschap. Belastingafstel doet zich bijvoorbeeld voor op het moment dat een vordering op de AB-houder – indirect – in de heffing zou moeten worden betrokken, maar deze belasting niet kan worden betaald. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de vennootschap failliet gaat en de AB-houder geen middelen (meer) heeft om zijn schuld af te lossen. De vordering op de AB-houder maakt in een dergelijk geval onderdeel uit van het vermogen van de vennootschap dat tot uiting kan komen in de liquidatie-uitkering als gevolg van het faillissement. Deze liquidatie-uitkering is in beginsel belast met inkomstenbelasting. Wanneer de AB-houder zijn belastingschuld niet kan terugbetalen, is de vordering van de vennootschap op de AB-houder (nagenoeg) waardeloos. In dit geval wordt een liquidatie-uitkering niet of nauwelijks belast, omdat geen sprake is van een vermogensverschuiving. De AB-houder verkrijgt namelijk als liquidatie-uitkering de (nagenoeg) waardeloze vordering. Hierdoor ontstaat belastingafstel. Door de heffing over een onttrekking in de vorm van een excessieve lening te vervroegen, wordt dit in beginsel voorkomen.

 

Deel dit artikel


Wil jij op de hoogte worden gehouden met interessante updates waar je echt iets aan hebt?
Schrijf je dan hier in.




Alle Nieuws